Hebban olla vogala 2: het voorspel

De ontdekking van het beroemd-beruchte zinnetje Hebban olla vogala berust op een buitengewoon gelukkige toevalligheid, al is het misschien treurig dat de aanzet tot de oudneerlandistiek niet door een neerlandicus, maar door een anglist gegeven werd.

Het is namelijk Kenneth Sisam die in 1933 een artikel publiceert dat gaat over handschrift MS. Bodley 342, waarin de zgn. Catholic Homilies van Ælfric van Eynsham (ca. 955 – ca. 1020) staan. De inhoud van het artikel is voor de Nederlandse taalgeschiedenis volledig irrelevant, en toch zijn het nu juist de twee laatste pagina’s ervan die een taalkundige revolutie binnen de neerlandistiek zouden ontketenen. Sisam beschrijft in zijn bijdrage het uiterlijk van het laatste flyleaf (schutblad) van het handschrift en gaat kort in op de zogenaamde pennenproeven die erop geschreven staan.

De heren monniken zijn zo vriendelijk geweest om de zin van een pennenproef te duiden:

probatio penne si bona sit

probatio incauxti si bonum sit

Dit schutblad werd dus door de monniken gebruikt om hun ganzenveer (pen) en hun inkt te proberen. Het schrijven van probatio penne si bona sit lijkt een vast ritueel bij het testen van de pen, want het zinnetje duikt een paar maal op, al dan niet ten einde geschreven.

ProbatiaeCapture
sterk vereenvoudigde en verduidelijkte weergave

Als wij onze balpen willen uitproberen, schrijven we onze naam of we zetten een paar ongecontroleerde krassen op het papier, maar dat werd de monniken blijkbaar wat al te gortig: er moest voorzichtig met het materiaal worden omgesprongen. In plaats van krassen worden er mooie woorden geschreven, zoals In principio ‘in den beginne’, inderdaad de openingszin van de Bijbel. Verder is er een monnik die Anno millesimo sexageno quoque seno ‘in 1066’ schrijft en er zelfs muzieknootjes bij plaatst, en een andere monnik begint een heel verhaal.

Vervolgens staat er quid expectamus nunc ‘waar wachten we nu op’ en dan zie ik voor me hoe Sisam van zijn stoel valt van verbazing, wanneer hij “a wholly unexpected sequal” leest:

Abent omnes volucres nidos inceptos nisi ego et tu

Hebban olla vogala nestas hagunnan hinase hi anda thu

Hebban olla vogala springt hem tussen al het andere pennengeweld meteen in het oog. Niet omdat het zo netjes geschreven is of in een mooi handschrift. Sterker nog, delen ervan zijn praktisch onleesbaar. Nee, het gaat Sisam om de taal waarin die woorden geschreven zijn:

“This is by far the earliest scrap of Netherlandish that has been recorded in England, and I doubt if it can be matched elsewhere.”

Zijn conclusie is dat er onder de monniken die hun schrijfgerei hebben klaargestoomd voor gebruik een Vlaamse monnik was. Hoe en waarom dit kan, bewaar ik voor later. Sisam besefte dat hij taalkundig goud in handen had en nam contact op met neerlandicus Moritz Schönfeld (1880 – 1859), die het vers aan een nauwkeurig onderzoek zou onderwerpen. Bij hem begint in 1933 dan ook  de polemiek der vogalisten, als hij in een artikel gewag maakt van “een Oudnederlandse zin uit de elfde eeuw.”

hebban_olla_vogala

Advertenties

Hebban olla vogala 1: introductie

Van 2005 tot en met 2008 was ik als redacteur nauw betrokken bij de totstandkoming van het Oudnederlands Woordenboek, dat de woordenschat van het Nederlands beschrijft tot het jaar 1201.* Waarom het op het eerste oog vreemde jaartal 1201? Omdat het al langer bestaande Vroegmiddelnederlands Woordenboek daar de draad oppikt.

Tientallen jaren lang gold de maxime dat er helemaal geen Oudnederlands bestond. Goed, er stonden her en der in zeer oude Latijnse oorkonden wat volkstalige plaats- en persoonsnamen, maar dat was het dan ook. Maar in 1933 verbrak nota bene een anglist de oorverdovende Oudnederlandse stilte met de publicatie van een volkstalige zin die hij in een handschrift in Engeland aantrof en die hij voor Nederlands hield:

Hebban olla vogala nestas hagunnan hinase hi(c) anda thu

Kenneth Sisam, de anglist die de rust zo bruusk verstoorde, kon onmogelijk bevroeden welke gevolgen zijn publicatie zou hebben voor de Nederlandse taal- en letterkunde. Het dogma dat er geen Oudnederlands bestond, kon ogenblikkelijk de prullenmand in en wat was er voor de literatuurgeschiedenis mooier dan dat de nationale literatuur begon met zo’n prachtig versje?

Alle vogels zijn hun nest begonnen, behalve jij en ik

Het zinnetje, of eigenlijk de twee zinnetjes, maar dat wist Sisam om een voor mij volstrekt onduidelijke reden niet (waarover later meer), zou uitgroeien tot het beroemdste versje uit de Nederlandse taalgeschiedenis. Deze dertien woordjes vormden de kiem voor iets wat we gerust de oudneerlandistiek mogen noemen en in het bijzonder zouden ze onderwerp zijn van tientallen kleinere of grotere taalhistorische en literatuurhistorische bijdragen.

Met mijn uitgebreide studie naar deze zoete woorden in het gerenommeerde taalhistorische vaktijdschrift Amsterdamer Beiträge zur älteren Germanistik (ABäG) heb ook ik in 2009 een duit in het zakje mogen doen.** In dat artikel ben ik op een aantal vragen ingegaan die naar mijn oordeel niet voldoende of onjuist beantwoord waren, waaronder:

  • Hoe luidt het versje precies? Ofwel, wat staat er nu eigenlijk?
  • Is het versje daadwerkelijk Oudnederlands?
  • Wat is het versje? Een pennenproef of toch een taalspelletje?

Ik verkeerde op het Instituut voor Nederlandse Lexicologie (INL, Leiden), waar het woordenboek tot stand kwam, in de gelukkige omstandigheden dat ik van de hoofdredacteur, dr. T. Schoonheim, alle tijd en ruimte kreeg om mijn onderzoek te doen, en dat collega-redacteur en hoofdredacteur van de ABäG, prof.dr. A. Quak, aanbood mijn bevindingen in zijn tijdschrift te publiceren. Ik ben beiden nog altijd zeer dankbaar dat zij mijn magnum opus op die manier faciliteerden.

Omdat mijn artikel in het Duits gepubliceerd is, wil ik mijn bevindingen in de komende bijdragen op mijn blog in het Nederlands met de wereld delen. Ik zal proberen dit zodanig te doen, dat de inhoud voor een breed publiek toegankelijk is.

* Het Oudnederlands Woordenboek (ONW) is geïntegreerd in de Taalbank Nederlands, die kosteloos raadpleegbaar is op de homepage van het Instituut voor Nederlandse Lexicologie, http://www.inl.nl.

** Kenny Louwen, “Zur Lesart und Hybridität der altniederländischen Federprobe”, in: Amsterdamer Beiträge zur älteren Germanistik 65, pp. 61-86. Rodopi, Amsterdam 2009.